|
Pollenonderzoek wordt verricht om inzicht te
krijgen in het milieu waarin bewoning op een bepaalde
manier in de tijd plaats vond. De mogelijkheden
die het landschap voor bewoning bood en de invloed
van de bewoning op de vegetatie (en daarmee op
het landschap) staan centraal bij dit onderzoek.
In specifieke gevallen kan pollenonderzoek worden
ingezet voor meer lokale informatie, bvb. bij
onderzoek van coprolieten of ploegsporen.
Pollenanalyse is een werkmethode van de micropaleontologie,
gesteund op de studie van stuifmeelkorrels en
sporen. Bij de meeste planten worden veel meer
sporen of pollenkorrels gevormd dan er werkelijk
functioneel een rol zullen spelen bij de voortplanting,
die "verloren" sporen en pollenkorrels
kunnen dan terechtkomen op de grond of in de luchtstroom,
in plassen en venen
en eventueel worden
ingebed in het zich vormende sediment. Indien
er dan geen (te sterke) oxidatie optreedt kunnen
ze fossiliseren: de levende inhoud en de intine
gaan vlug teniet, alleen de exine of de sporenwand
blijft bewaard. Deze sporenwanden en exines bevatten
sporopollenine (2-29%), polymeren van carotenoïden
en carotenoïde-esters (eenheden met 16C);
bij de vorming ervan speelt zowel de cel zelf
als het tapetum van de meeldraadhelmknop een belangrijke
rol.
Door een niveau van een afzetting te onderzoeken
naar de sporeninhoud, kan men de vegetatie tijdens
de afzetting reconstrueren; opeenvolgende niveaus
zullen dan een deel van de vegetatiegeschiedenis
van die plaats weerspiegelen. De vegetatie streeft
steeds naar een evenwicht met de omgeving (bodem,
klimaatsfactoren) zodat uit de vegetatieschommelingen
ook schommelingen in de milieufactoren kunnen
afgeleid worden bvb. veranderende neerslag, temperatuur.
|